ECOWEB - ecologie - advies - inrichting - beheer - stad - bos - water - land


 

 


WIE & WAT


ADVIES & UITVOER

ONDERZOEK


CONTACT


LINKS

2005-heden, Dalarna Zweden (Skogforsk, SLU)

dalarnaEffect van 'hoogstobbes' (högstubbar/high stumps)op de rode lijst kever Peltis grossa (Coleoptera: Trogossitidae). Populatiedynamica in een boslandschap van 30.000 hectare.

Sinds enige jaren wordt in de zweedse bosbouw gepropageerd om bij de eindkap staand dood hout achter te laten op de kapvlakte. Dit wordt gedaan door reeds dode bomen te sparen of levende bomen tot op enkele meters boven de grond af te zagen. Het doel hiervan is om de in, of van dood hout levende insecten en andere fauna en flora weer betere leefmogelijkheden te geven. Weer, omdat de bosbouwpraktijk er lange tijd naar streefde de bossen zo 'schoon' mogelijk te houden. Deze methode om meer dood hout achter te laten of te creëren was gebaseerd op 'gezonde' aannames en niet zozeer op concrete onderzoeksresultaten.

Om naast gezonde aannames ook een wetenschappelijke verantwoording van dit beleid te krijgen (of het ontkrachten hiervan natuurlijk), werd begin jaren negentig een grootschalig experiment ingezet met o.a. als doelsoort de kever Peltis grossa. Deze rode lijst kever heeft een duidelijke voorkeur voor staand dood hout met vergevorderde bruinrot veroorzaakt door de roodgerande houtzwam (Fomitopsis pinicola). Staande en zongeëxponeerde stobbes van fijnspar (Picea abies), berk (Betula pubescens en B. pendula) en grauwe els (Alnus incana) zijn favoriete plekken voor eierafzetting. Van dit al meer dan tien jaar lopende project beginnen de eerste onderzoeksresultaten nu binnen te komen die deze methode van de zogenaamde högstubbar kwantitatief en kwalitatief een ruggengraat kunnen geven.


2008-2009 Biologie van de letterzetter (Ips typographus) en natuurlijke vijanden op boomniveau.

De letterzetter (Ips typographus) heeft de mogelijkheid als volwassen insect onder de bast van bomen te overwinteren of in de bodem. Aangenomen wordt dat het overwinteren in staande bomen een aanpassing is voor gebieden met milde winters, zoals bijvoorbeeld Nederland. Dit gedrag kan consequenties hebben voor bestrijding van deze kever en de mogelijkheid dode bomen te laten staan ten behoeve van natuur. Mochten de kevers zich namelijk hebben teruggetrokken voor het begin van de winter, dan heeft het verwijderen van deze bomen geen effect op de populatie van de letterzetter. Meestal zijn gedode bomen pas echt goed te onderscheiden aan het begin van de herfst. Dit is dan ook meestal pas het moment waarop het weghalen van deze bomen begint.

Andere insecten die in deze bomen aanwezig zijn, waaronder natuurlijke vijanden van de letterzetter, worden eventueel negatief beinvloedt door het weghalen van de bomen. Om een duidelijker beeld te krijgen welke insecten wanneer de bomen verlaten, worden experimenten uitgevoerd in noord-, midden- en zuid-Zweden met behulp van zogenaamde emergence-traps (ontwerp, Jan ten Hoopen).
 





2007 Effects of insecticide treated catch stems on target and non-target species (Småland Sweden, Skogforsk)

vangststammen

Het gebruik van met insecticide behandelde vangststammen is op dit moment (2007-2008-?)een gangbare methode om de letterzetter ( Ips typographus) te bestrijden in zuid-zweden. Effectiviteit en negatieve bijeffecten van deze methode staan ter discussie. Ons onderzoek heeft in ieder geval laten zien dat deze vallen niet duidelijk effectiever zijn dan vallen zonder gif en dat predatie van de vergiftigde insecten door vogels een ongewenst bijeffect is. Directe vergiftiging van de zogenaamde non-target insecten, waaronder natuurlijke vijanden van de letterzetter, lijkt geen grote rol te spelen. Met dit onderzoek is echter geen lange termijn effect aan te tonen op insecten of andere organismen. Een denkbaar effect, zowel voor de letterzetter als non-target insecten, is een afname van vruchtbaarheid. In het nieuws, voor wie zweeds kan.






2006 Småland, Zweden (Skogforsk, SLU)

Letterzetters in de voetsporen van 'Gudrun'. Onderzoek naar de verspreiding en vermeerdering van onder andere de bastkevers Ips typographus en Pityogenes chalcographus (Coleoptera: scolytinae) op stormvlaktes na de januaristorm van 2005 in het zuiden van Zweden. Uitgangspunt van dit onderzoek is het effect van het achterlaten van stormhout in natuurreservaten op de populatiedynamica van deze kevers.

De explosieve populatiegroei van deze bastkevers, met name die van de letterzetter (Ips typographus), osaby is karakteristiek voor de omstandigheden na grootschalige stormschade. De overvloed aan substraat (dode fijnsparren die dienen als broedplaats) in combinatie met een warme zomer als die in 2006, maakt dat de endemische populatieomvang (de populatieomvang onder 'normale' omstandigheden) verandert in een epidemische of uitbraakpopulatie. De termen endemisch en epidemisch zijn ontleend aan het pestkarakter dat deze soort wordt toegekend. Onder epidemische omstandigheden zijn de aantallen namelijk zo groot dat ze in staat zijn grote aantallen of zelfs oppervlakten gezonde fijnspar aan te tasten. Onder endemische omstandigheden blijft deze aantasting vaak beperkt tot dode of verzwakte bomen.
 






2004, Hälsingland Zweden (Skogforsk, SLU)

Kosten en effect van verschillende vormen van bosbeheer op de biodiversiteit van bossen. Onderzocht is de diversiteit van mossen, korstmossen en xylobionte (houtlevende) insecten. Multidisciplinair (ecologisch, economisch, bosbouwkundig) project in een landschap van 1,5 miljoen hectare.

De Zweedse regering heeft zich met 170 andere landen, waaronder Nederland, verplicht tot het behouden van biodiversiteit en het op een duurzame wijze gebruiken van deze biodiversiteit. De officiële definitie van biodiversiteit in dit verdrag luidt:

Biologische diversiteit (of biodiversiteit) betekent de variabiliteit onder levende organismen van allerlei afkomst, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit omvat de diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen." (Bron: Nederlands Informatieplatform voor Biologische Diversiteit).

Een volgens velen niet wetenschappelijke, onwerkbare definitie waar elke willekeurige invulling aan gegeven kan worden. De Zweedse concrete invulling hiervan wat betreft bos is al beter te duiden. Om natuur en biodiversiteit te beschermen zijn naast de voor de hand liggende indeling in reservaten en productiebossen twee nieuwe oppervlakte-eenheden toegevoegd. Dit zijn de zogenaamde 'sleutelbiotopen' en 'aandachtsvlakken'. Naast veranderingen in productiemethoden (zie ook project hierboven over hoogstobbes) worden gedeeltes in de productiebossen met grote natuurlijke waarden uit productie genomen, de zogenaamde sleutelbiotopen (nyckelbiotoper). Deze bossen worden geacht een sleutelrol te spelen voor het voortbestaan van planten en diersoorten die sterk achteruitgaan of bedreigd zijn. Naast deze sleutelbiotopen worden bij eindkap tegenwoordig 'plukken' bos of bosranden achtergelaten, de zogenaamde aandachtsvlakken (hänsynsytor). Dit laatste wordt bijvoorbeeld gedaan langs beken of aan de kapvlakte grenzende kwetsbare of waardevolle biotopen, in ravijnen en op steile hellingen.

Dit onderzoek is uitgevoerd om zicht te krijgen op de rol die verschillende bostypen (reservaat - productiebos - aandachtsvlakken - sleutelbiotopen) spelen in het behoud van de soortendiversiteit (in dit geval van mossen, korstmossen en xylobionte insecten). Daarnaast is gekeken naar de kosteneffectiviteit van de verschillende vormen van bosbeheer. Dat wil zeggen dat er een vergelijking wordt gemaakt tussen de kosten van een bepaalde vorm van beheer en de gevonden resultaten wat betreft biodiversiteit. Kosten zijn in dit geval de derving aan inkomsten door het uit productie nemen van bossen (sleutelbiotopen, reservaten) of stukken bos (aandachtsvlakken). Een van de conclusies is dat met name reservaten en sleutelbiotopen een grote diversiteit aan soorten herbergen, met name wat soorten betreft die op de rode lijst staan (achteruitgaande en bedreigde soorten).

Zie ook:

Line B. Djupström, Jan Weslien, and L. Martin Schroeder 2008. Dead wood and saproxylic beetles in set-aside and non set-aside forests in a boreal region. Forest Ecology and Management. 225 (2008), 3340-3350.

Perhans, K., Gustafsson, L., Jonsson, F., Nordin, N., Wiebull, H., 2007. Bryophytes and lichens in different types of forest set-asides in boreal Sweden. Forest Ecology and Management. 242 (2007), 374–390